De Hogere Raad voor Ambachten en Neringen : de voorloper van de huidige Raad
Op 5 februari 1909 werd bij koninklijk besluit de eerste Hogere Raad van Ambachten en Neringen opgericht. Die Raad had een louter adviserend karakter : hij had tot taak te beraadslagen over de zaken die hem werden voorgelegd door de betrokken Minister over de economische en beroepsbelangen van de ambachtslui, de kleine industriëlen en de kleinhandelaars. In 1928 en in 1931 zagen de Kamers van Ambachten en Neringen het licht en nam de Raad de benaming van Hogere Raad voor de Middenstand aan.
Evolutie en groei van de beroepsorganisaties
Na de eerste wereldoorlog kenden de beroepsfederaties die werden opgericht om de economische, beroeps-, sociale en morele belangen van hun leden te verdedigen een enorm succes. Die beroepsfederaties van ambachtslui, kleine industriëlen en handelaars die éénzelfde beroep uitoefenden, waren zeer actief en bewezen een brede waaier van diensten aan hun leden. Na de tweede wereldoorlog steeg het groot aantal beroepsorganisaties nog sterk.
Naast die beroepsorganisaties ontstonden ook interprofessionele organisaties. Zij richten zich op de belangenbehartiging van de Midddenstand in zijn geheel.
De noodzakelijke organisatie van de Middenstand
De grote nationale congressen van de Middenstand die plaatsvonden in Gent (1932), in Brussel (1938) en in Luik (1949) spraken zich uit voor een organisatie van de Middenstand zodat deze zijn sociale en economische rol zou kunnen spelen in de schoot van de Staat. Het aanzienlijk aantal beroepsgroeperingen en federaties die door de verscheidenheid aan economische activiteiten opgericht werden, liet niet meer toe hun belangen doeltreffend te verdedigen. Men kon evenminhet belang van de interprofessionele organisaties bij een algemene aanpak van de gemeenschappelijke economische en sociale problemen van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen loochenen. Die interprofessionele organisaties moesten dan ook vertegenwoordigd zijn in de organisatie van de Middenstand.
De nieuwe organisatie van de economie (naoorlogse periode)
In 1947 diende de regering bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers wetsontwerp nr. 50 in houdende organisatie van de Economie. De regering wilde bij het voeren van zijn economisch en sociaal beleid een nauwe betrokkenheid van de diverse sociaal-economische actoren organiseren daartoe de vereiste overlegorganen oprichten. Het wetsontwerp nr. 50 mondde uit in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van de Economie. Bij die wet werden de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Beroepsraden en de Ondernemingsraden opgericht. Men werd zich snel bewust van het belang om gelijktijdig en in dezelfde geest van een representatief orgaan voor de Middenstand op te richten.
De oprichting van de Hoge Raad
Dit leidde tot de wet van 2 mei 1949 op de organisatie van de huidige Hoge Raad voor de Middenstand : federale instelling van openbaar nut, met rechtspersoonlijkheid en eigen middelen en genietend van een relatieve autonomie die nodig is om de onafhankelijkheid van een adviesorgaan te waarborgen. De Hoge Raad vergaderde voor de eerste maal op 18 juni1951. Sindsdien vervult de Raad twee essentiële taken, een adviserende en een representatieve, die bij de wijzigingen en coördinaties van de wetgeving betreffende de organisatie van de Middenstand telkens opnieuw bevestigd werden. Sinds de wet van 22 mei 1999 kreeg de Raad een modernere benaming : “Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen”.